Benutten van de verschillen tussen leerlingen

Bij differentiëren worden leerlingen in subgroepen ingedeeld die homogeen (van hetzelfde niveau) worden samengesteld. Uit onderzoek blijkt dat onderwijs in homogene subgroepen alleen effectief is bij hoog- en meer begaafde leerlingen en bij verlengde of intensieve instructie aan leerlingen die iets nog niet beheersen of begrijpen na een basisinstructie. Bij dit laatste moet de leerkracht er voor waken dat leerlingen niet vast in de groep voor verlengde instructie zitten, omdat het anders sociaal- emotioneel een negatief effect op hen kan hebben en daarmee indirect ook op hun leerresultaten.

Een heterogene samenstelling van een groep (in verschillende niveaus) blijkt juist een hele positieve invloed op de leerresultaten van alle leerlingen te hebben. Hierbij worden de verschillen tussen leerlingen benut. Wanneer en hoe zou men dat kunnen doen?

Tijdens de klassikale instructie en de nabespreking

In deze fase kan de leerkracht de interactiviteit tussen de leerlingen stimuleren door naar oplossingsstrategieën en meningen te vragen en de leerlingen daarbij op elkaar te laten reageren.

Tijdens de inoefening

In deze fase kan de leerkracht de verschillen tussen leerlingen benutten door gebruik te maken van de methodiek ‘Denken-delen-uitwisselen’ of van (andere) werkvormen voor coöperatief leren.

De methodiek ‘Denken-delen-uitwisselen’ kent de volgende stappen:

1. leerkracht geeft een opdracht

De leerkracht legt de groep een opgave voor. Bijvoorbeeld: Bedenk voor de eerste drie alinea’s een titel; bedenk vervolgens voor elke alinea een titel. De leerkracht geeft aan dat de leerlingen eerst individueel moeten nadenken en daarna pas met elkaar mogen overleggen.

2. Individuele bedenktijd

De leerlingen denken eerst individueel na over het antwoord. Wanneer de leerlingen hun antwoord opschrijven, zijn ze in de volgende stap niet afhankelijk van de reacties van de anderen en wordt een afwachtende houding vermeden.

3. Overleg in tweetallen

De leerlingen delen in tweetallen met elkaar hun antwoord.

4. Uitwisselen

De gegeven antwoorden worden klassikaal uitgewisseld. Hierbij wijst de leerkracht voor elke groep een woordvoerder – dit kan ook een risico leerling zijn – aan die de antwoorden van zijn groep uitwisselt met de rest van de klas.

Coöperatief leren kan op allerlei manieren binnen het onderwijs vormgegeven worden. Tijdens de inoefening kunnen eenvoudige, korte werkvormen gemakkelijk door leerkrachten ingevoerd worden die verder geen ervaring hebben met coöperatief leren. De leerlingen kunnen bijvoorbeeld in groepjes gezamenlijk oplossingen zoeken en dit uitwisselen met de klas, antwoorden eerst zelf uitwerken en daarna de antwoorden vergelijken met elkaar, antwoorden doorgeven – aanvullen of verbeteren, onderwerpen splitsen, uitwerken en daarna delen, vragen voor elkaar bedenken, enz.

Belangrijkste voorwaarden voor deze werkvormen zijn individuele aanspreekbaarheid (elk kind kan aangesproken worden op zijn gedrag of op zijn bijdrage in de groep) en positieve wederzijdse afhankelijkheid (de leerkracht zorgt er voor dat de leerlingen van elkaar afhankelijk zijn om een taak goed uit te kunnen voeren).

Tijdens verwerking

In deze fase kan het leren van elkaar gestimuleerd worden door leerlingen elkaar te laten helpen bij een hulpvraag.